Eoin Dillon Pondelorum24 november, 2017

Buda / Xango

Als je mij ergens niet voor wakker mag maken, is het wel Ierse folk. Soms laat muziek je koud of onverschillig, maar traditionele muziek die uit Ierland roept bij mij zelfs regelrechte irritatie op. Het heeft vooral te maken met de in mijn ogen ziekelijke hang naar gladde perfectie die veel Ierse folkartiesten eigen is, en die tot gevolg heeft dat hun muziek klinkt alsof ze van de lopende band rolt. Vooral jigs & reels hebben ernstig te lijden van dit euvel. Degene die mij deze nieuwe cd van Eoin Dillon ter recensie toezond, nam dus (waarschijnlijk zonder het te beseffen) een enorm risico.
Maar nu komt het: ondanks de akelige perfectie van Pondelorum kan ik mijn oren er niet van af houden. Dat komt doordat achter het geoliede raderwerk een avontuurlijke geest schuil gaat. Al in het tweede stuk van de plaat wordt Dillons Ierse doedelzak begeleid door een statig klavecimbel – niet echt het eerste waar je aan denkt in deze muzikale contreien. De rest van het ingehuurde instrumentarium, waaronder piano, trombone, darbouka, klarinet en cimbaal, bevestigt dat beeld. De snelle ritmes zijn loeistrak, precies zoals het genre vereist, maar krijgen hier en daar net een tikje meer swing mee dan gebruikelijk. In Christchurch Bells geeft de gitaar zelfs even tegengas.
Diezelfde gitaar zorgt ook elders voor subtiele stijlbreuken, zoals in Cock of the Walk. Het meest verrassend zijn de twee laatste nummers van de plaat. Daar mengen piano, riet en koper zich in de strijd, en vooral de licht schurende frictie tussen laatstgenoemde en de tin whistle van Eoin Dillon is een lust voor het oor. (Ton Maas)






«« terug naar overzicht